Minder Grondrisico.nl

Praktijkvoorbeelden van grondgerelateerde risico’s

Binnen het programma Ruimte voor de Rivier hebben zich risico’s voorgedaan die illustratief zijn voor de uitvoeringspraktijk, en met de kennis die we nu hebben vermeden of beperkt hadden kunnen worden, of in ieder geval beter beheerst.

Hieronder beschrijven we kort enkele voorbeelden. De complete omschrijving staat in het rapport van de evaluatie van grondrisico’s in het programma Ruimte voor de Rivier.

Voorbeelden:

  • Kribverlagingen Waal
  • Baksteenfragmenten in project Deventer bij het Worpfront
  • Project kribverlaging
  • Munnikenland: partijkeuring versus bodemkwaliteitskaart
  • Gehalte organische stof
  • Erosiebestendigheid klei in project Zwolle
  • Keuring van grond in terpen: project Noordwaard
  • Gebruik van alternatieve materialen
  • Zandweerdplas Deventer
  • Toetsing aan normen voor landbodem of waterbodem
  • Discrepantie beoordeling puin in verkennend bodemonderzoek en Besluit bodemkwaliteit
  • Project Ruimte voor de Rivier Zwolle

Kribverlagingen Waal

Bij de verlaging van kribben in de Waal was veel meer puin vrijgekomen dan vooraf voorzien op basis van de indicatieve bodemonderzoeken. Dit heeft geleid tot (kostbaar) zeven om de partij toepasbaar te maken voor de voorgenomen bestemming.

De verwachting ten aanzien van fysische kwaliteit was gebaseerd op dwarsprofielen met gebruikmaking van boorbeschrijvingen uit het verkennend bodemonderzoek. De werkelijk aangetroffen bijmenging is berekend op basis van gewicht in de beun van het schip.

Bij de verlaging van de kribben kwamen vrij:

  • Zetsteen
  • Vlijlaag van enkele decimeters dik (merendeels steenslag).
  • Grond met wisselende en relatief beperkte bijmenging.
  • Onbekend materiaal waarop boringen in het verkennend bodemonderzoek zijn gestaakt.

Mogelijke oorzaak van de grotere hoeveelheid aangetroffen puin in het schip waren de bijmenging tijdens ontgraving (onmogelijk om gescheiden te ontgraven) van zetsteen en de vlijlaag onder de zetsteen. Ook was niet uit te sluiten dat zich aan de onderzijde van het te ontgraven bodempakket zeer grof puin bevond. In het uitgevoerde verkennend onderzoek bleek dat veel boringen moesten worden gestaakt wegens het aantreffen (met de handboor) van een ondoordringbare laag. Bij het bepalen van de vrijkomende grondstromen is de bodemkwaliteit onder het boorniveau als onbekend verondersteld. Het noodgedwongen staken van de boringen was echter al een eerste indicatie van de aard van het materiaal op die diepte. Daarnaast is het voor de inschatting van de uiteindelijke hergebruiksmogelijkheden van groot belang geweest om op basis van de boringen te beoordelen of de verschillende (soms dunne) lagen wel gescheiden te ontgraven zijn.

 

Baksteenfragmenten in project Deventer bij het Worpfront

In het deelgebied Worpfront van de maatregel Deventer zijn baksteendeeltjes in de bodem aangetroffen. In dit project was gezien zijn ligging sowieso sprake van een verdenking op aanwezigheid van NGE, oftewel een noodzaak tot detectie vooraf. Het bleek echter dat de bijmenging in de bodem met baksteenpuindeeltjes de NGE-detectie verstoorde. Toen een damwand moest worden geplaatst, bleek heien niet acceptabel om veiligheidsredenen en moest de bodem meters diep over het damwandtracé laagsgewijs en onder begeleiding van zowel een NGE-deskundige als milieukundige en veiligheidskundige worden ontgraven. Dit had de nodige consequenties voor de planning en kosten.

Achteraf bleek, op basis van een gedegen analyse van de bodeminformatie die bij de aanbesteding al beschikbaar was, dat een groot deel van de aanwezige hoeveelheid puin te voorzien was geweest voor de opdrachtnemer. Alhoewel het treffen van veiligheidsmaatregelen onvermijdelijk was, waren de consequenties voor de planning beperkter geweest met een goede voorbereiding.

 

Project kribverlaging

In het project Kribverlaging Waal claimde de opdrachtnemer meerkosten wegens afwijkende bodemkwaliteit. Door deze afwijking kon een deel van de vrijkomende grond niet naar de voorziene bestemmingslocatie omdat de kwaliteit niet meer voldeed.

Al in de voorbereidingsfase waren de rapporten van verkennende bodemonderzoeken beschikbaar. Hierin werden hergebruiksmogelijkheden (klasse VT, A, B en NT) vastgesteld. In de praktijk bleek dat een deel van de partijen schoner was dan verwacht (A in plaats van B) en een deel meer verontreinigd (B in plaats van A). Een van de oorzaken was gelegen in verschillende analysemethodes (zie kader).

Verschillende analysemethodes

Een partijkeuring is een officieel bewijsmiddel (volgens het Besluit bodemkwaliteit) en de analysemethode van het laboratorium is verfijnder en nauwkeuriger dan de methode die wordt gehanteerd bij een verkennend bodemonderzoek. In de maatregel kribverlaging Waal is gebleken dat de bij de partijkeuring in de uitvoeringsfase aangetroffen lage gehaltes pesticiden (DDE) de klassengrens tussen A en B overschreden. Dit beperkte de toepassingsmogelijkheden van de grond. De aangetroffen lage gehaltes DDE waren lager dan de detectielimiet die in de minder nauwkeurige verkennende bodemonderzoeken zijn gehanteerd. In de voorbereiding werd verondersteld dat de vrijkomende grond geen DDE zou bevatten (want lager dan de detectielimiet). Het was een onaangename verrassing toen bleek dat de lage gehaltes (die wel boven de norm lagen) de hergebruikmogelijkheden toch bleken te beperken.

Een dergelijke afwijking kan, als het leidt tot afkeuring van partijen grond, snel leiden tot een kostenoverschrijding van meerdere tonnen in euro’s. Door op het juiste moment kennis met betrekking tot chemische analyses in te brengen, was een betere inschatting van hergebruiksmogelijkheden eerder mogelijk geweest. Dit had wellicht gevolgen gehad voor de grondbalans en de aanneemsom. Dergelijke zaken zouden goed in het ‘begeleidend document bodemdata’ kunnen worden geadresseerd. [Duiden van bodemdata]

 

Munnikenland: partijkeuring versus bodemkwaliteitskaart

Bij de aanbesteding was een vastgestelde bodemkwaliteitskaart beschikbaar op basis waarvan grond binnen het projectgebied kon worden hergebruikt zonder verdere keuringen. Een beperkt deel van de grond zou worden hergebruikt en een groter deel afgevoerd voor hergebruik buiten het project. Omdat de bodemkwaliteitskaart hiervoor geen bruikbaar bewijsmiddel was, zijn in de uitvoeringsfase ruim 100 partijkeuringen uitgevoerd. Daaruit bleek dat een klein deel van de vrijkomende grond niet toepasbaar (NT) was.

De bodemkwaliteitskaart, gebaseerd op waterbodem- en landbodemnormen, suggereerde op het eerste gezicht een ‘gemiddelde’ kwaliteit klasse B. Uit de bij de kaart behorende ‘statistiek’ kon echter worden geconcludeerd dat een beperkt percentage van de grond bij afzonderlijke partijkeuringen klasse NT zou kunnen zijn, uitgaande van landbodemnormen. We kunnen concluderen dat de bevindingen in de uitvoeringsfase (partijkeuringen) goed pasten bij de beschikbare stukken (kaart bij de aanbesteding). Vervelend was dat op voorhand niet bekend was welk deel van de te ontgraven grond een minder dan gemiddelde kwaliteit had. Wij adviseren daarom om het benodigde bodemonderzoek voor definitieve vaststelling van de bestemming van vrijkomende grond niet op het laatste moment uit te voeren, omdat de mogelijkheden om flexibel in te spelen dan erg beperkt zijn en wél toepasbare partijen misschien al zijn afgevoerd.

Projectgebied Munnikenland met op de voorgrond de nieuwe Wakkere Dijk

 

Gehalte organische stof

In de maatregel Noordwaard is in de planfase milieukundig onderzoek uitgevoerd waarbij de grond is geclassificeerd volgens NEN 5104. Volgens deze norm is tot 15% bijmenging met organische stof sprake van (in dit geval klei met) humeuze bijmenging. In de voorbereiding ging men ervan uit dat hoofdzakelijk sprake was van klei (met nodige bijmenging van organisch materiaal).

In de uitvoering is de RAW-systematiek gehanteerd bij de beoordeling van de vrijgekomen grond. Deze classificeerde de grond als ‘bosgrond’. Klei als bouwstof mag maximaal 5% organische stof als bijmenging bevatten. Dit betekende dat voor de grond een andere bestemming moest worden gezocht, met de nodige kostenconsequenties. Het is geen geheim dat de beschrijving van grond volgens de systematiek uit het milieuonderzoek tot een andere classificatie zou leiden dan bij hantering van de RAW-systematiek. Het betrekken van expliciet uitvoeringsgerichte deskundigen bij de beoordeling van onderzoeksrapporten van grond in de voorbereidings- en aanbestedingsfase zou wellicht eerder tot een juist inzicht hebben geleid. Ook zou een locatiebezoek al eerder aan het licht hebben kunnen brengen om welke grondsoort het gaat.

 

Erosiebestendigheid klei in project Zwolle

In het project Dijkteruglegging Westenholte kwam klei vrij. Deze klei is in de aanbestedingsfase chemisch onderzocht waarbij ook aandacht is besteed aan het gehalte lutum en organische stof. Voor de bouw van de nieuwe dijk was erosiebestendige klei klasse 1 nodig. Op basis van de beschikbaar gestelde informatie tijdens de aanbestedingsfase zou 88% van de benodigde klei (130.000 m3) in het projectgebied voorradig moeten zijn. Tijdens de uitvoering is het kleitekort echter opgelopen van 12% tot 75%. Dit werd enerzijds veroorzaakt doordat de aanwezige klei onvoldoende erosiebestendig bleek. Anderzijds zat er nog een hoeveelheid geschikte E1 klei in de bodem in de Scheller- en Oldeneler Buitenwaarden, maar deze kon niet meer tijdig worden ontgraven om (na rijping) nog toe te kunnen passen in de nieuwe dijk.

Via contractwijziging is met de opdrachtnemer overeengekomen om het tekort aan E1 klei van buiten het projectgebied aan te voeren zodat de nieuwe dijk tijdig gereed zou zijn. Dat betekende, naast de aankoop van geschikte klei, ook dubbele transportbewegingen en overslag met extra kosten tot gevolg.

In deze casus is gebleken dat de boorbeschrijvingen in verkennende milieuhygiënische bodemonderzoeken relevante beperkingen hebben voor een goede interpretatie van de erosiebestendigheid van vrijkomende klei. Milieuhygiënische onderzoeken zijn hier ook niet voor bedoeld, maar worden in de praktijk toch gebruikt voor een beoordeling van de fysische eigenschappen van grond, zoals erosiebestendigheid. Ook is het verstandig om na gunning snel te starten met aanvullend bodemonderzoek naar de kleikwaliteit. Op deze manier is er binnen de uitvoeringsplanning voldoende tijd voor rijping van de nog vrijkomende klei.

 

Keuring van grond in terpen: project Noordwaard

De terpen in de Noordwaard (Biesbosch) zijn opgebouwd uit verschillende deelpartijen grond die allen afkomstig zijn uit de directe omgeving en tot dezelfde bodemkwaliteitszone behoren. Deze deelpartijen zijn naast en op elkaar toegepast. De toepassing van de in dit project vrijkomende grond in de terpen geschiedt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. Uit deze kaart bleek dat, net zoals in de meeste situaties, sprake was van een heterogene bodem en dat niet was uit te sluiten dat een individueel monster of een individuele kleine deelpartij minder schoon zou zijn dan de ‘gemiddelde gehaltes’ waarmee de bodemkwaliteitskaart de bodemkwaliteit beschreef. Er zijn afspraken gemaakt tussen opdrachtgever en eigenaren van de terpen over de keuring van de grond na het aanbrengen. Dat zou gebeuren via verkennende bodemonderzoeken. Dit zijn afspraken tussen private partijen.

Na de aanleg van de terpen zijn door handhaving indicatieve metingen gedaan met een XRF. Dit is een instrument dat gebruikt wordt voor kartering en screening, maar onvoldoende nauwkeurig is om te dienen als bewijsmiddel. Op grond van de meetresultaten vermoedt handhaving dat er plaatselijk sprake is van te hoge gehaltes zware metalen. Het bevoegde gezag voor de toepassing van de grond eiste vervolgens (op basis van enkele geconstateerde afwijkingen) dat aanvullend op de bodemkwaliteitskaart als wettelijk bewijsmiddel, partijkeuringen per 2.000 ton dienden te worden uitgevoerd op de al aangebrachte grond in de terpen. Dit omdat naar hun mening het aanbrengen van grond uit verschillende delen van het gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart is opgesteld, dient te worden beschouwd als een samenvoeging van deelpartijen (in een terp). Op basis van het Bbk zijn extra keuringen in de vorm van partijkeuringen niet af te dwingen aangezien de kaart voldoende bewijsmiddel is. De private afspraak tussen opdrachtgever en eigenaar van de terp om partijkeuringen te doen, is door de gemeente/omgevingsdienst aangegrepen om toch dit nóg kostbaarder onderzoek af te dwingen.

Onze conclusie is dat goede afstemming vooraf met het bevoegd gezag discussies tijdens de uitvoering kunnen voorkomen. Wij adviseren om afstemming via vooroverleg onderdeel te maken van een goede voorbereiding.

 

Gebruik van alternatieve materialen

In de maatregel Overdiepse Polder heeft opdrachtnemer thermisch gereinigde grond (hierna: TGG) toegepast in de fundatie van de boerderijterpen die tegen de nieuwe waterkering zijn aangelegd. Ook is TGG in de fundatie van de nieuwe dijk toegepast. Op de TGG onder de terpen is een ongeveer 3 meter dikke laag zand aangebracht. Hierin zijn de (gier)kelders onder de bedrijfsgebouwen aangebracht. De toepassing van TGG in deze maatregel is algemeen geaccepteerd door belanghebbenden.

Voor de nieuwe woonterpen was in de pré-contractuele fase voorzien dat deze zouden worden aangelegd met gebiedseigen grond klasse Industrie. Na gunning is besloten om niet alleen agrarische terpen, maar ook woonterpen deels aan te leggen met TGG voorzien van een 0,5 meter dikke afdeklaag met gebiedseigen grond. Dit heeft veel commotie veroorzaakt onder de bewoners en bij de gemeentelijke overheid. Ook toekomstige bewoners van de agrarische terpen voegden zich bij de bezwaarden. Aanvankelijk werd geëist dat alleen gebiedseigen schone grond zou worden toegepast. Later werd toepassing van grond klasse Industrie in de terpen acceptabel bevonden, zolang het geen TGG zou zijn. Het feit dat TGG een bewerkt bodemmateriaal is dat qua kleur sterk afwijkt van normale bodem en moeilijk doorwortelbaar zou zijn voor gewassen en erfbeplanting, waren bepalend voor de bezwaren.

Daarbij komt dat ongelukkige omgevingscommunicatie niet heeft bijgedragen tot afzwakking van de bezwaren. Zo gebruikte een lokale bestuurder consequent het begrip ‘thermisch verontreinigde grond’. De kwestie haalde de regionale pers. Na afweging heeft Rijkswaterstaat besloten om de terpen met gebiedseigen grond klasse Industrie aan te laten leggen. Dit is via een meerwerkopdracht opgedragen aan opdrachtnemer met de nodige financiële consequenties.

Conclusie uit deze casus is dat het verstandig is om scherp te blijven op communicatie. Inhoudelijk de juiste boodschap brengen op het juiste moment met voldoende aandacht voor de gevoeligheid en weerstand in de omgeving.

Toepassing van TGG onder de boerderijterpen in Overdiepse Polder

 

Zandweerdplas Deventer

Onderdeel van de maatregel Deventer is de verondieping van de Zandweerdplas en het ontgraven van de randzone nabij een kleine jachthaven. Daarbij is een grotere verontreiniging aangetroffen dan op basis van de bij aanbesteding overhandigde stukken kon worden verwacht. Een deel van de aangetroffen sterke verontreiniging hoefde om hydraulische redenen niet verwijderd te worden. Het bevoegd gezag heeft echter de eis gesteld dat de achterblijvende (meer omvangrijke) verontreiniging met een leeflaag moest worden afgedekt. Dit zou betekenen dat een nóg grotere hoeveelheid sterk verontreinigde grond zou moeten worden ontgraven en afgevoerd, om ruimte te scheppen voor deze aanvankelijk niet voorziene leeflaag.

Jachthaven in de Zandweerdplas te Deventer

Uiteindelijk heeft Rijkswaterstaat kunnen motiveren dat de beperkte achterblijvende restverontreiniging geen relevante negatieve effecten zou hebben op het watersysteem. Het aanbrengen van een leeflaag kon hiermee niet worden afgedwongen. Dit is onderbouwd met de resultaten van een waterbodemimmissietoets. Waren we daar niet in geslaagd, dan had dit kunnen leiden tot forse extra kosten. Dit voorbeeld toont aan dat actieve betrokkenheid van opdrachtgevers bij maatregelen loont. Door tijdig bevoegde gezagen te betrekken, worden discussies vermeden.

 

Toetsing aan normen voor landbodem of waterbodem

In de maatregel Munnikenland kwam buitendijkse grond vrij waarvan de chemische kwaliteit tegenviel. Afvoeren was een optie, maar zou extra kosten met zich meebrengen. De grond zou kunnen worden toegepast in een grootschalige bodemtoepassing in de nieuwe dijk (Wakkere Dijk). Deze nieuwe dijk is binnendijks van de bestaande dijk gebouwd op landbodem conform het Bbk. Probleem met de vrijkomende grond was dat de chemische kwaliteit niet voldeed als deze werd getoetst aan de normen voor toepassing als landbodem, ook al zou het perceel kort erna door doorsteken van de bestaande dijk weer waterbodem worden.

Onderzoek van de regelingen en jurisprudentie wees uit dat de overgang van het beheer van de gemeente naar Rijkswaterstaat zou ingaan op het moment van wijziging van de kaartbijlage van de Waterregeling. De formalisering als waterbodem ontstond al op het moment dat de oude primaire waterkering zou worden doorgestoken en de nieuwe Wakkere Dijk door het waterschap formeel hoogwaterveilig was verklaard, zodat het binnendijkse deel vanaf dat moment buitendijks werd. Dit opende de deur om de eerder vrijgekomen grond (afkomstig uit de landbodem) toch te kunnen toepassen als waterbodem in de Wakkere Dijk. De aanpak en de consequenties ervan zijn met de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en het waterschap afgestemd. Het waterschap was tijdelijk bevoegd gezag in de periode tussen het doorsteken van de oude waterkering en de formalisering via de Waterregeling.

De planning vormde het voornaamste knelpunt. Inzicht in de regelingen maakte het mogelijk om het grondwerk ter plaatse van het buitentalud toch conform de waterbodemnormering uit te voeren. In het vierwekelijkse overleg met de werkgroep bevoegd gezag heeft opdrachtnemer het onderwerp geagendeerd en is, met een bijdrage in juridische ondersteuning vanuit Rijkswaterstaat, een gezamenlijke oplossing gevonden. Door deze interventie is onnodig en kostbaar grondverzet voorkomen.

 

Discrepantie beoordeling puin in verkennend bodemonderzoek en Besluit bodemkwaliteit

Ook de beoordeling van puinbijmenging heeft tot discussies geleid. Het Besluit bodemkwaliteit stelt dat grond met meer dan 20% bijmenging van bodemvreemde deeltjes niet kan worden beschouwd als bodem, en dus niet onder het Bbk valt. Bij de maatregel Kribverlaging Waal is gebleken dat er grote discrepanties zijn tussen de voorspellingen met betrekking tot grond met puinbijmenging en de tijdens het graven aangetroffen hoeveelheden.

De norm voor het opstellen van boorbeschrijvingen geeft geen concrete grenzen aan voor de verschillende klassen bijmenging. De (niet wettelijk vastgelegde) standaard is Boormanager. Hierin worden de volgende klassen bijmenging onderscheiden: zwak (< 5%), matig (5-15%), sterk (15-50%) en uiterst (50-80%). Grond met een sterke bijmenging kan soms wel (15-20%) en vaak niet (20-50% bijmenging) als bodem worden toegepast. Het is van groot belang om al bij de interpretatie van bodemonderzoeken aandacht te schenken aan de toepasbaarheid van vrijkomend materiaal als bodem en alert te zijn op het toepassingsgebied van onderzoeksmethoden.

 

Project Ruimte voor de Rivier Zwolle

In de maatregelen bij Zwolle, Westenholte (DWH) en Scheller en Oldeneler Buitenwaarden (SOB) is bij de ontgravingen een grotere hoeveelheid veen aangetroffen dan werd verondersteld in de planfase. In de uitgevoerde indicatieve bodemonderzoeken zijn wel veenlagen geconstateerd. Daaruit kon echter niet worden verondersteld dat sprake zou zijn van een over grote afstand doorlopende dikke veenlaag.

Onderdeel van de maatregel is de verondieping van een zandwinput met uit het project vrijkomend materiaal. Hieraan werden ook constructieve eisen gesteld, omdat de aanvulling de stabiliteit moet waarborgen van de instroomdrempel (tussen de put en de rivier) onder maatgevende condities. Daarnaast moest de putopvulling ook voldoende stabiel zijn, omdat een deel tot boven de rivierwaterstand opgehoogd moest worden in het kader van natuurcompensatie.

Gedurende de ontgravingen, is twijfel ontstaan of het vrijkomende veen voldoende constructieve eigenschappen zou bezitten om te kunnen worden toegepast in de put.

In maart 2013 is op voorstel van bevoegd gezag (Rijkswaterstaat namens ILT) een proef uitgevoerd om zicht te krijgen op het consolidatiegedrag van het vrijgekomen veen in een put Op locatie is een zeecontainer gevuld met water. Daarin is een hoeveelheid veen aangebracht. Na enige tijd is op dit veen een laagje grond aangebracht om te kunnen beoordelen in hoeverre het veen voldoende sterkte heeft om enige bovenbelasting te kunnen opnemen.

Tijdens de proef is gebleken dat veen langdurig in het water blijft drijven/zweven en een donkergekleurde ‘soep’ vormt. Uiteindelijk zakt het materiaal naar de bodem waarbij losse brokken grotendeels uit elkaar vallen. De grond die naderhand in de container op het veen is gestort, zakte merendeels direct naar de bodem door de in het water zwevende veendeeltjes.

Uit de proef is geconcludeerd dat het veen niet de gewenste sterkte had. Het aanbrengen van een grote hoeveelheid veen in een put brengt bovendien het risico met zich mee van een aanmerkelijke vertroebeling van het oppervlaktewater, met (tijdelijk) negatieve gevolgen voor het aquatisch ecosysteem. Op grond daarvan heeft ILT besloten dat dit veen niet gebruikt mocht worden voor de verondieping van de put. Dit heeft de volgende consequenties gehad:

  • Het veen (klasse B) moest worden afgevoerd tegen aanmerkelijke kosten.
  • Er ontstond een tekort aan anoxische vulgrond voor verondieping van de put in SOB.

Genoemde afwijkingen hebben de nodige (negatieve) consequenties gehad voor de uitvoering, de uitvoeringsplanning en de daarmee samenhangende kosten.

De veenproef in het projectgebied van Zwolle in uitvoering

 

Meer informatie:

Grondverzet in Ruimte voor de Rivier tijdens de uitvoeringsfase. Kosten- en risicobeheersing: lessons learned. Evaluatierapport fase 2.

 

Rijkswaterstaat
Bouwend Nederland
Waterbouwers